Janny van der Heijden over overleden hondje Nhaan: 'Ze zit diep in me verankerd'

Janny van der Heijden vindt het ‘oorverdovend stil’ in huis sinds haar teckel Nhaan is overleden. Dat schrijft de 70-jarige presentatrice in haar column voor Margriet. Ze kan de spulletjes van haar viervoeter nog niet opruimen. ‘Alsof ik dan moet erkennen dat ze écht weg is.’

Andre van Duin, Janny van der Heijden en hondje Nhaan
© Omroep Max

Janny van der Heijden maakte in juni bekend dat haar teckel Nhaan, die misschien wel een van de bekendste honden van Nederland was, op 9-jarige leeftijd was overleden. ‘Mijn hart is gebroken’, schreef ze, met daarbij een foto van Nhaan.

Het blijft voor Janny lastig dat Nhaan er niet meer is, deelt ze donderdag in haar column voor Margriet. ‘Mijn huis is nog steeds ingericht op een hond die er niet meer is — haar mandjes met zachte vachtjes, speeltjes, onaangeroerde voerbakjes. Ik kan het nog niet opruimen. Alsof ik dan moet erkennen dat ze écht weg is.’ In het dagelijks leven merkt de presentatrice, die in het Utrechtse Renswoude woont, ook dat ze nog niet altijd beseft dat de viervoeter er niet meer is. ‘Dingen die ik automatisch blijf doen, alsof ze er nog is: een stukje kaas of vlees apart leggen tijdens het koken, een deur op een kier laten staan, omkijken of mijn hand laten zoeken naar een warm, harig lijfje dat niet meer naast me ligt.

‘Geen waggelende heupjes’

Janny van der Heijden, die Nhaan haar ‘kleine diva op pootjes’ en haar ‘kompas’ noemt, vindt het oorverdovend stil in huis. Ze mist de tikkende nageltjes van de viervoeter op het parket, maar ook de blik van Nhaan op het moment dat ze met slecht weer naar buiten moest. En zo zijn er nog meer momenten: ‘Geen verwachtingsvolle ogen bij de koelkast, geen waggelende heupjes en dito staart als we op pad gaan. Geen boottochtjes en grapjes met André. Geen uitbundige vreugdekreten bij thuiskomst, al was ik maar twee minuten weg geweest.’ En toch, ondanks al het verdriet, probeert ze zich vast te houden aan het idee dat Nhaan nog altijd bij haar is. ‘Ze zit diep in me verankerd. In mijn routines, in mijn taal, in haar servies. In alles wat ik deed en nog zal doen. Misschien — heel misschien — is ze daardoor ook niet écht weg. Zolang ik haar blijf zoeken. Zolang ik haar blijf vinden. In alles wat ik doe’, besluit ze.